5 dingen die ik begon in te zien toen ik mijn autisme steeds meer accepteerde

Veel vrouwen krijgen de diagnose ASS pas als ze al volwassen zijn. Bij mij was dit niet het geval; ik kreeg de diagnose al als kind. Ik kan dus niet meepraten over de struggles van de vele volwassen vrouwen die pas op latere leeftijd eindelijk te horen krijgen wat de verklaring is voor het feit dat ze tegen dingen aanlopen in het leven. Waar ik wel over mee kan praten, is het vertekende beeld dat er bestaat over autisme.

Ik kreeg dan wel als kind al de diagnose autisme (wat, in mijn geval, toen nog Asperger heette), toch heb ik me er vervolgens jarenlang tegen verzet omdat ik het niet herkende bij mezelf; ik vond dat ik een heel sociaal iemand was, ik had geen moeite met oogcontact maken en ik kon ook best een grapje begrijpen. Ja, zelfs sarcasme.

En toch heb ik autisme.

Toen ik een aantal jaar geleden opnieuw bij een psychologe liep voor onderzoeken, werd bevestigd dat de diagnose nog steeds klopt. Er kwamen dan wel nog wat andere diagnoses bij, maar de diagnose Asperger (nu ASS) bleef toch echt staan. De psychologe had ook met een aantal familieleden van mij gesproken, dus ze wist eigenlijk wel zo’n beetje alles wat er te weten viel.

Vanaf dat moment begon ik steeds meer te denken dat het misschien toch wel eens zou kunnen kloppen, en ben ik me meer gaan verdiepen in autisme en hoe dit zich bij vrouwen uit. Maar vooral: hoe het zich bij míj uit. En zo begon ik langzaam maar zeker toch wel een paar dingen bij mezelf te herkennen en ontstond zelfs mogelijk het begin van een stukje acceptatie.

Ik deel met jullie 5 dingen die ik begon in te zien toen ik mijn autismediagnose steeds meer leerde herkennen en accepteren.

1. Ik stim – en dat is oké

Stimmen is wat veel mensen met autisme (en waarschijnlijk ook genoeg niet-autistische mensen) doen om zichzelf te kalmeren als ze een teveel aan prikkels binnenkrijgen óf juist om voor extra prikkels te zorgen. Met je lijf heen en weer wiegen, tikken met een pen, spelen met je haren, ergens op kauwen, pulken aan je huid of haren, texturen die fijn voelen voor je handen, geluiden of zelfs liedjes waar je herhaaldelijk naar luistert: dit zijn allemaal voorbeelden van stims. Het gaat in principe dus om (herhaalde) activiteiten waarmee je jezelf stimuleert. Ik herken stimmen ook in dingen die ik zelf doe, en het is allemaal helemaal oké, zolang je jezelf er niet mee beschadigt. Stimmen is in principe absoluut niet hetzelfde als zelfbeschadiging, maar het kan wel beschadigend zijn als je stimt door bijvoorbeeld te krabben of bijten aan velletjes op je huid (waar ik zelf totaal niet schuldig aan ben, kuch).

2. Ik ben gevoelig voor geluid en moet me hier soms voor kunnen afsluiten

Misschien wel één van de grootste dingen waaraan je mijn autisme kunt herkennen is mijn overgevoeligheid voor geluid. Daarom heb ik sinds 2019 op aanraden van mijn psychiater een noise-cancelling koptelefoon. Ik hoop nog steeds dat ik met behulp van behandeling beter zal leren omgaan met deze overgevoeligheid, maar de koptelefoon is hoe dan ook een aankoop geweest die dit iets draaglijker heeft gemaakt.

3. Bepaalde kleding zit écht niet fijn

Als autistisch persoon kan sommige kleding heel erg prikkelend zitten. Ik had zelf nooit zo het idee dat ik hier heel erg last van had, maar ben me er bewuster van geworden dat ik wel degelijk moeite heb met bepaalde kleding. Vroeger kleedde ik me altijd op basis van wat ik mooi vond en wat goed zou staan voor anderen. Maar nu begin ik comfort steeds belangrijker te vinden. Ik vind het nog steeds fijn om er leuk uit te zien met de kleding die ik draag, maar van bepaalde kleding kom ik er nu steeds meer achter dat het niet bij mijn prikkelgevoeligheid past en dat ik daar best wat mee mag doen. Strakzittende spijkerbroeken en bh’s, capuchontruien die te beklemmend zijn bij de nek, lange sokken en zelfs bepaalde onderbroeken: allemaal kledingstukken die voor mij oprecht bijdragen aan de mate waarin ik overprikkeld ben en/of dreig te raken.

4. Er zijn momenten dat ik echt niet tegen aanraking kan

Ik ben dol op knuffels en ik geef en ontvang ze graag, vooral van mijn lieftallige vriend, maar er zijn ook genoeg momenten dat ik aanraking niet prettig vind en niet verdraag. Dan is zelfs een goedbedoelde aai over mijn bol of een hand op mijn schouder al teveel. Ook vind ik het meestal niet fijn als mensen (meestal mensen die emotioneel niet dichtbij genoeg staan) me uit het niets aanraken. Daar schrik ik van en ik vind het niet fijn. Maar iemand bijvoorbeeld een hand geven vind ik niet zo’n groot probleem, al zul je me ook niet horen zeggen dat ik het echt leuk vind (maar vindt iemand dat wel?).

5. Ik kan niet altijd onder de mensen zijn en heb tijd nodig om op te laden na een sociale activiteit

Dat ik sociaal ben en open in contact met anderen moet vooral niet worden verward met dat ik om die reden ook altijd maar sociaal bezig wil of moet zijn, of zelfs dat het iets natuurlijks voor me is. Dit is namelijk echt niet zo; sociale contacten vind ik fijn en ik hou van gezelschap, maar het kost me ook enorm veel energie en dit voel ik vrijwel altijd weer als ik na een sociale activiteit alleen ben. Ik ben dan ook aan het leren om dit te doseren en mijn eigen grenzen hierin te leren herkennen en zo goed als ik kan te bewaken. Niet omdat ik niet graag met andere mensen omga of vrienden heb, maar omdat ik mijn eigen energiebalans serieus moet nemen en ook tijd voor mezelf nodig heb.

Dat ik deze 5 dingen nu begin door te hebben bij mezelf en ze onder het kopje ‘autisme’ kan neerzetten, wil niet zeggen dat ik nu precies weet hoe ik met dit alles moet omgaan, dat ik alles volledig begrijp en accepteer of dat ik zelfs al helemaal heb geaccepteerd dat ik autisme heb. Maar het is hopelijk, zoals ik in het begin van deze post al schreef, wel het begin van dat alles. Zoals met bijna alle dingen: het is een proces, en daar probeer ik dan ook vooral vertrouwen in te hebben.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *